In het jaar dat ik ontmaagd werd, hoorde ik het verhaal van de papegaai van Churchill. Ik weet niet precies waarom ik dit altijd onthouden heb, het is een grappig verhaaltje, maar ik ken betere grappen en betere verhalen.

Het was het einde van de les. Ik had mijn boek en mijn schrift al in mijn tas gestopt. Er waren toen nog schriften. We zaten op de vierde verdieping van het schoolgebouw en ik keek uit over het sportveldje. Half gras, half gravel. Meisjes zaten op hun jas in het gras, jongens rookten sigaretjes en tuften tussen hun voeten. Jongerius, onze docent Nederlands, stond een van z’n dunne sigaartjes te roken in de schaduw van de grote boom. Iedereen hield elkaar constant in de gaten. Een brugklas speelde softbal. Ik keek of er jongens bij zaten die beter konden gooien dan ik. Twee. En ik probeerde te raden welk meisje over vier jaar, als ze net zo oud was als ik, het mooiste figuur zou krijgen. Je kon het zien aan de manier waarop ze bewogen. Die meisjes lijken dat al te weten voor ze volgroeid zijn. Verlegen meisjes lopen keurig rechtop of blijven zitten. Meisjes met een platte rug halen het niet in hun hoofd om hun borsten uit te zetten. Die gaan niet met hun heupen zwaaien. Die draaien hun hoofd niet om naar de jongens langs de kant als ze op hun tenen naar het volgende honk dartelen.

Honk.

Ik was bij honk 2. Op schoolkamp had Moniek me afgetrokken tussen het middagspel en het avondeten. Na vier of vijf slappe bewegingen met haar pols, alsof ze schudde met een dobbelsteen, had ik haar buik en een groot gedeelte van haar capuchontrui ondergespoten.
Het volgende honk was pijpen. Van honk 1, zoenen, naar honk 2, dat was niks. Met een goeie klap pakte je die eigenlijk altijd tegelijk. Honk 3 leek veel verder weg. Hoe krijg je een meisje zo ver? Dat willen ze toch niet?
Toch was honk 3 lang niet zo onbereikbaar als honk 4. Dan heb je het gedaan. Daar had je een homerun voor nodig. Met een goeie knuppel.
Ik weet niet meer waar de les over ging. Het was het jaar dat we de revoluties behandelde. De Russische. Een smoelenboek van mannen met snorren, namen gekoppeld aan jaartallen. De industriële. En de katoenrevolutie van Lancashire. Een periode in de geschiedenis waarin alles met elkaar te maken had. Elke uitvinding leidde de ontdekking van de volgende vernieuwing in. Vergelijkbaar met de puberteit van een mensenleven.

Het was een gewoonte van onze leraar geschiedenis om de les af te sluiten met een anekdote. Naast me knorde een autist. De jongen met het syndroom van Asperger, die het vliegschema van Schiphol uit zijn hoofd kende. Welke maatschappij naar welk land vliegt. Die hield van feiten. Van de vastgelegde werkelijkheid. Niet van anekdotes. Hij mopperde als een stripfiguurtje en fronste naar mijn geschiedenisleraar die genoeglijk in zijn handen wreef.

Er zijn twee soorten leraren: of je hoort jezelf graag praten, of je houdt van kinderen. Beiden motieven zijn dubieus. Onze geschiedenisleraar, een dik mannetje met een volle snor en een te strak aangetrokken riem, was van het eerste soort. Hij had een hekel aan jonge mensen. Gek genoeg was hij wel de enige leraar die we bij zijn voornaam aan mochten spreken. Hij vertelde dat ze, niet eens zo gek lang geleden, een pratende papegaai hadden gevonden in een Engels bejaardenhuis, die ooit van Winston Churchill bleek te zijn geweest. Ik zag dat hij het verhaal al vaker had verteld, waarschijnlijk in dezelfde woorden, maar dat speelde hij knap weg. De jongen met Asperger veerde even op toen hij feitelijk uitweidde over papegaaien. Waarom het ooit huisdieren zijn geworden. Waarom ze soms kunnen praten. Omdat ze stembanden hebben. Maar hij zakte weer knorrend in toen de geschiedenisleraar overduidelijk naar zijn clou schakelde en zei dat de papegaai van Churchill, die inmiddels tegen de honderd jaar oud moest zijn, de hele dag ‘fuck Hitler, fuck Hitler’ riep.
De bel ging. Esmee, dikste tieten van de klas, vroeg of het echt waar was. Zo oud kunnen papegaaien toch niet worden.

‘Papegaaien worden ouder dan mensen,’ zei ik. Voor ik het zelf door had keek ik al naar haar borsten. Ze zag het, maar ze vond het niet erg. Dit was het jaar van de openbaring van seksuele driften, iedereen voelde het. Kijken mocht altijd. Als je naar een volgend honk wilde komen, dan moest je wel kijken. Ik dacht dat ze naar me knipoogde.

De leraar lachte, stak zijn wenkbrauwen omhoog en wees met zijn hand naar de deur, als een verkeersbrigadier, trots op z’n kleine hoeveelheid macht. Hij mompelde een zelfingenomen ‘tot morgen’ die je als ‘geen discussie’ kon interpreteren.
Ik weet nog dat hij mij aankeek toen ik als laatst het lokaal uitliep en dat ik terug keek alsof ik wilde zeggen: ik kan dwars door jou heen kijken. Zoals ik naar mijn ouders kijk, als ik weet dat ze de waarheid achterhouden. Als ze geen eerlijk antwoord geven op mijn vraag. Hij las mijn blik en vroeg of ik het niet geloofde, het verhaal van de papegaai van Churchill. Ik bleef staan en vroeg hem of dat iets uitmaakte. Het was een grappige anekdote, meer niet.
‘Ga maar na of je het echt gelooft, of niet. Het zegt iets over jezelf.’

Toen ik thuiskwam maakte ik een tosti en terwijl ik een film downloadde op mijn nieuwe computer, ik keek bijna elke avond een film, ging ik chatten. Ik deed alsof ik een meisje was en probeerde in contact te komen met jongens van mijn school. Vlak voor etenstijd surfte ik naar een pornosite. Ik trok me niet zozeer af, omdat ik daar zin in had, maar omdat ik sinds de ontdekking van masturbatie eindelijk een effectieve techniek had ontwikkeld die resultaat opleverde. Snel en agressief. Ik wilde het zo vaak mogelijk doen om het masturberen te perfectioneren, maar vooral om te geloven dat het echt was. Dat ik een man werd. Ook al walgde ik van de snelheid waarmee ik toegaf aan het verlangen om klaar te komen. Als ik m’n gulp dichtdeed, zweerde ik elke keer dat ik het voorlopig niet meer zou doen. En dan zat ik een uur later weer naar porno te kijken.
Ik kwam klaar in het handdoekje waar ik die ochtend ook in klaar was gekomen. Ik dacht aan de papegaai van Churchill en wist zeker dat het onzin was.

 

De papegaai van Churchill

Fragment uit 'Eland'