Dokter Goetmakers, bijna zestig, deed boodschappen in zijn pyjamabroek. Sloeg geregeld knoopjes over. Vaak hing er een stukje blouse uit zijn gulp en hij koos steeds vaker voor schoenen zonder veters.

Zijn vrouw Leonoor, die niet wist of de groeiende slordigheid van haar man met ouderdom of luiheid had te maken, was nog even zorgvuldig als altijd. Ze vergat nooit een verjaardag, ze zette potjes kruiden meteen na gebruik terug in de kast, met het etiket naar voren, ze gooide geen witte kleding door de bontwas en als ze te laat kwam, dan belde ze dat even door.

Ze gingen elk jaar naar Egypte. Hij reisde eigenlijk niet graag, maar zij vond de Egyptische stijl zo mooi. Honden met vogelkoppen, de combinatie van zwart met goud, meubilair met mozaïek en krullen. Om haar nek hing een gouden ketting met een ankh-teken eraan. De eettafel kwam uit Egypte en aan weerszijden van hun elektrische open haard stonden beelden van Anubis van glanzend zwart marmer. Met kerst kregen ze allebei een mutsje op.

Ze hielden van luxe. Ze hadden een keuken met kookeiland, een onzichtbare afzuiginstallatie en een fornuis met acht pitten en een stoomoven. Dokter Goetmakers bakte zelf brood en maakte elk weekend, met chirurgische precisie, gevulde kip.
 

Ze hadden een hondje. Kito. Een Maltezer. Een knuffelig beestje dat nooit blafte, maar constant zachtjes hijgde, altijd op schoot zat en vanuit stilstand tot navelhoogte kon springen. Alweer twee jaar geleden - de tijd ging sneller als je ouder werd, elke dag was een onderdeel van een steeds groter wordend geheel - reden ze terug van een familieweekend, vlak over de Duitse grens. Kito ging mee. Kito ging zelfs mee naar Egypte. Dokter Goetmakers reed voor zijn doen erg langzaam, niet veel hoger dan de maximumsnelheid en keek rustig om zich heen. Zelfs Leonoor reed een stukje. Op de Veluwe reden ze de snelweg af om ergens een stuk van de perentaart te eten die Leonoors moeder ze had meegegeven.
Ze bonden het beestje, dat zachtjes zat te hijgen in het Veluwse gras, vast aan de trekhaak. Dokter Goetmakers liep de bosjes in om zijn behoefte te doen. Leonoor haalde een mug van de voorruit.
Ze waren uitgerust. Ze hadden in een hotel geslapen. Hij had haar voor het eerst in lange tijd weer oraal bevredigd. Die ochtend aten ze op een zonnig balkon muesli met vers fruit. Ze hadden een zoete glimlach op hun gezicht. Allebei.
Toen ze genoeg taart hadden gehad, de benen gestrekt en weer verder reden, kreeg Leonoor zin in muziek. Ze deed een verzamelalbum van Roy Orbison in de CD-speler.
‘Wat is het stil in de auto.’
Als een geluid dat constant aanwezig is opeens verdwijnt, zoals het zachtjes hijgen van een hond, duurt het even voor de stilte tot je doordringt.
Ze hebben een half uur op de vluchtstrook staan ijsberen. Van schrik en schuld staan huilen als kinderen. Aan de voorkant van de auto. Geen van beiden durfde te kijken. Met zijn ogen dicht heeft dokter Goetmakers op de tast de halsband van de trekhaak gesneden, met een stanleymes. Als een navelstreng van de dood. De knoop om de trekhaak heeft hij nooit meer los gekregen.

Kito

Fragment uit 'Eland'