Wandelend met H & H, mijn ouders. Het is oudjaarsdag en ik smeek al dagen om vuurwerk.

‘Eén pijl, kom op. Eentje maar.’

En voor de zoveelste keer zie ik ze zonder woorden besluiten: nog niet.

Ik ruk een stel witte klapbesjes van een tak en gooi ze op het pad.

‘Niet doen, jongen,’ zegt mijn vader. ‘Hoe zou jij het vinden als er opeens een enorme boom voorbij kwam gelopen die jouw oor eraf trekt.’

‘Dat kan helemaal niet,’ roep ik. Ik zet mijn O’hara’s in het zand en ren agressief de struiken in. Met kerst gekocht bij Scapino, voor dertig gulden. De lampjes in de hak zijn nu al kapot.

 

Het jaar daarna gaan mijn ouders uit elkaar en koopt mijn vader één vuurpijl. Het is een rechte zwarte stok met een blauwe cilinder aan de kop en een zilver hoedje. Diamond Collection, staat erop. Om vijf voor twaalf word ik gewekt en naar de achtertuin geleid. Daar staat de pijl gewillig op ons te wachten in een lege fles diksap, als een offerstuk op heilige grond. Voor ik de slaap uit mijn ogen heb gewreven, houdt mijn vader de aansteeklont al tegen het hangende draadje en schiet de pijl de lucht in.

‘Wacht!’ schreeuw ik nog, tegen de pijl. Hij maakt een curve, buigt om het huis heen en verdwijnt uit zicht. Aan de voorkant van het huis gaat een wit, met blauw en zilver knalspektakel aan ons voorbij.

 

In 2013 krijg ik zelf een kind, een meisje. We zijn op weg naar een borrel en ik druk haar stevig tegen mijn borst als we langs een groepje rokende tieners lopen, allemaal jongens. Acht of negen jongens. Ze zitten op de grote schommelband in het parkje en gooien rotjes in het water en grondtollen de lucht in. Er is niks aan om vuurwerk te gebruiken zoals het bedoeld is. Zoals de Chinezen het bedacht hebben.

‘Niks afsteken jongens, daar is een baby,’ roept één van de jongens. De baard in zijn keel klinkt overdreven, maar hij heeft invloed.

Ik passeer ze, bedank ze. En wens ze een gelukkig nieuwjaar.

Als ik bij het hekje ben en het park uitloop, verdwijnt er een slof astronauten het water in.

 

Nieuwjaar