Toen ik ooit in een toneelstuk uit moest beelden dat ik mijn vrouw betrapte met een ander, balde ik mijn vuisten, liet ik mijn wenkbrauwen zakken en gromde ik zachtjes tussen de woorden door. Was niet echt een succes. Misschien wel m’n slechtste scene ooit. Later toen ik in het echte leven dezelfde situatie meemaakte, merkte ik dat ik iets heel anders deed op zo’n moment. Ik lag als een hond die in z’n ballen was getrapt op de grond en trok een kussen uit elkaar. Ik zag mezelf liggen, zoals een regisseur naar een acteur kijkt en ik herhaalde het droge gehuil dat ik met mijn keel maakte, alsof het een repetitie was. Dit moet ik onthouden, dacht ik.

En ik baalde met terugwerkende kracht dat ik die scene daarvoor zo slecht gespeeld had.

Ik moet niet vaak huilen, echt niet, maar als het gebeurt dan ben ik de reden van mijn verdriet al gauw weer vergeten, omdat ik iets denk als: wat zit ik mooi theatraal te huilen, of: die bewegingen die ik nu met mijn lippen maak moet ik mentaal documenteren. Misschien kan ik het eens in een film gebruiken.
Soms, als ik brood koop, ga ik een beetje schuin tegenover de bakker staan, zodat ik het licht van buiten opvang met m’n gezicht. Een zakje krentenbollen, zeg ik dan, met lage fluisterstem.
Of spiegels. Ook gevaarlijk uitnodigend voor minirepetities van dagelijkse handelingen, want soms moet je voor de camera wel eens je haren kammen, of je tanden poetsen. In een montage ofzo.

 

Mijn werk heeft mijn leven verpest. Aan de telefoon met m’n moeder ben ik constant op zoek naar een motorisch moment, een onverwachtse schakel in onze dialoog. Na vier jaar toneelschool ben ik er inmiddels achter gekomen dat het leven zelf toch echt de beste leerschool is.

Soms zit het wel in de weg. In dat verhaal van Frank Masmeijer bijvoorbeeld, de ex-presentator die vastzit voor drugshandel, zag ik meteen een film. Twee weken geleden werd een Poolse automobilist tot 120 uur taakstraf veroordeeld, omdat hij een tweejarig meisje en haar grootouders dood had gereden. Voor elke kilometer die hij te hard reed, moest hij een uurtje prikken. De vader van het meisje smeet een stoel naar het hoofd van de rechter. De moeder schreeuwde: “ons leven is verwoest, en hij mag gewoon verder!”. Wat een dramatische scene, dacht ik. Die moet ik onthouden.

Ik voel me soms schuldig, zoals de oorlogsfotograaf die een stervend kind fotografeert om de wereld de heftigheid van oorlog in te laten zien, terwijl ook hij droomt van de beste foto van het jaar. En dan ga ik weer voor de spiegel staan, want hoe kijk ik precies als ik me schuldig voel?

Reality

Column voor www.kemna.tv