Mijn naam is Jean-Philippe Du de la Combine, vienden noemen me JP, mijn vrouw mag mij Jojo noemen, maar meestal zegt ze gewoon Jean. Ik hoor sinds drie jaar bij The Gentlemen, de tien senioren met de laagste handicap. Ons motto is: It don’t mean a thing, if it ain’t got that swing. Begrijp je? Golf is een schitterende sport, maar ik heb geen tijd om elke week te golfen. Om het een beetje bij te houden. Ik speel zo’n drie keer per jaar een tournament, maar de cut haal ik nooit. Ik heb ook veel pech.
M’n maatje – Clement - wint meestal riant van me. Vorige week liep ik vier slagen voor, ik had de eerste negen nog nooit zó goed gelopen, maar na een 3-putt vanuit de fringe op twaalf, een chip 2-putt op dertien en een totaal mislukte afslag op de par-3 zestiende kon hij zo langszij komen. Ik birdiede vervolgens nog wel de par-5 zeventiende. Toch verloren. Maar het blijft een leuk spelletje. Met de familiedag golfen we ook jaarlijks en dan win ik nog wel eens een leuk prijsje.
Ik speel met hybride clubs. Half ijzer, half kunststof. Als ik speel draag ik leren handschoentjes en doe ik mijn trouwring af. Anders sluiten ze niet, die handschoentjes. Stop ik hem in dat kleine vakje dat boven je rechterbroekzak zit.
Dat speelt gewoon een stuk fijner. Als ik hem omhoudt gaat hij knellen, vooral op de korte slagen. Ik moet me volledig kunnen focussen op mijn slag. En die handschoenen zitten lekker. Jezus.

Ik hou van mijn vrouw. Vanaf het begin al, meteen. Het is een schat en een geweldige moeder. Ze heeft een prachtig gezicht, een beetje oosters. Ze is echt een dromertje. Soms zit ze zo stil, dat het lijkt alsof ze niet eens ademt. Omdat ze Guenièvre heet, lees ik de laatste jaren veel over Koning Arthur. En hebben we een ronde tafel thuis.
Dat vonden wij leuk.

Als we alle holes gelopen hebben, was ik eerst mijn handen, drinken we een Blonde Peter - Ik en Clement - en dan doe ik mijn trouwring altijd weer om. Vorige week, na dat dramatische verlies, vergat ik het. Ik vergat het.
We dronken er vier, vijf en ik raakte aan de praat met Robert. Aardige jongen, of eigenlijk, man.
‘Ik val altijd op mannen met dure schoenen of een opvallend goed geknoopte stropdas
Trap ik elke keer weer in,’ zei hij.
Ik wist niet dat hij op mannen viel, dacht ik. Ik zag dat Clement met iemand van bestuur stond te praten. Ik keek even naar mijn schoenen en trok mijn das recht. Dat deed ik. Robert zag dat ik een jasje van Sartorio aanhad – mijn mooie, lichtblauwe jasje - en hij vertelde dat ie vroeger in Napels gewerkt had. Ik had nog een mooi verhaal over een kleermakertje in Bangkok. Het gesprek kwam op triviant uit. Het leek hem wel wat als we elkaar vragen gingen stellen, zelfverzonnen vragen. Elke keer als ik er één goed had moest hij lachen. Toen, zomaar, vroeg hij,
‘Als jij de volgende vraag goed hebt, krijg je van mij nog zo’n Rooie Annie, of wat is het? En als je het niet weet, moet je mij trakteren op een etentje.’
Ik schrok daar een beetje van. Ik dacht, we staan hier gewoon lekker wat te babbelen?
‘Dan wil ik wel drie kaar raden,’ zeg ik.
Hij dacht echt enorm lang na en zei,
’Hoe komt een Fata Morgana aan zijn naam?’
Ik gaf hem mijn lege glas en met een triomfantelijk glimlachje zei ik,
’Een fata morgana is genoemd naar Morgan le Fay, het van gedaante verwisselende elfje uit de legende van Koning Arthur. Neem je er zelf ook één?’

Toen ik die avond in de auto stapte, een beetje licht in mijn hoofd, een beetje teut, merkte ik; mijn trouwring zat nog steeds in mijn zak.


 

The Gentlemen